Niet spioneren maar participeren

Hoe metingen door burgers en boeren als input voor het beleid gebruikt kunnen worden

De afgelopen maanden was er veel ophef over de kwaliteit van onze leefomgeving. We lopen in ons dichtbevolkte land tegen de grenzen aan van geluidsoverlast, bodembevingen, fijnstof-, stikstof- en kooldioxide-emissies. Dat heeft weer gevolgen voor de groeimogelijkheden van onze luchtvaart, de landbouw en veeteelt, de gaswinning, de industrie. Gemeten concentraties of niveaus zijn steeds bepalender voor de contouren waarbinnen luchthavens, wegen en industrie mogen groeien. Burgers bekijken deze metingen vaak kritisch en stellen ze ter discussie, bijvoorbeeld bij de groei van Schiphol, en de boeren bij de stikstofmetingen door het overheidsinstituut RIVM.

Dit artikel verscheen in het decembernummer 2019 (PD19) van PubliekDenken, een tijdschrift voor de publieke sector. Afbeelding uit PD19: Dimitry de Bruin.

Er is meer dan 10 jaar volop ervaring opgedaan met metingen door burgers. Waarom wordt dit niet structureel en op grotere schaal gebruikt bij het ontwikkelen van beleid en het handhaven van de grenzen? Dit is immers wat ook met de Omgevingswet wordt beoogd. Door burgers en boeren op deze manier te laten participeren, krijgen ze bovendien meer vertrouwen in de metingen en neemt het draagvlak voor de maatregelen op basis van de cijfers, toe.

Burgerparticipatie

Er is de afgelopen jaren genoeg ervaring opgedaan met metingen door burgers en er zijn succesvolle voorbeelden.

Bij Geluidsnet (tegenwoordig onderdeel van Sensornet), meten sinds 2004 honderden microfoons op daken van huizen rond Schiphol het geluid van overvliegende vliegtuigen. Met die metingen wordt een driedimensionale kaart gemaakt van de omgeving met daarin het type vliegtuig, de aanvliegroute en het bijbehorende geluidsprofiel in en om de woningen. Met een eenvoudige app (Bevingmeter) konden burgers in Groningen de bevingen meten als gevolg van de aard- gaswinning in het gebied. Bewoners van de regio IJmond in Noord-Holland meten met sensoren die worden opgehangen bij hun huizen en in de wijk, de fijnstofconcentraties van de omgeving rond Tata Steel waar de afgelopen jaren veel discussie was ontstaan over grafietregens. Het project wordt begeleid door onder andere Waag Society dat eerder ervaringen opdeed met fijnstofmetingen door burgers in Amsterdam.

Er is meer dan 10 jaar volop ervaring opgedaan met metingen door burgers

Een project van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in 2013 was een groot succes. Deelnemers kregen een eenvoudige fijnstofsensor die gekoppeld kon worden aan hun mobiele telefoon om zo metingen te verrichten.

Betrokkenheid

Op meer terreinen zijn goede ervaringen opgedaan met het betrekken van burgers bij wetenschap en bij opsporing. Zoals het analyseren van foto’s van sterrenstelsels via Zooniverse, een website die al tien jaar wordt gebruikt door enkele universiteiten in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten om burgers te laten helpen bij het tellen van dieren (giraffen, chimpansees, vogels, insecten, planten) en het laten categoriseren en typeren van sterrenstelsels op basis van foto’s van ruimtesondes, om zo inzicht te krijgen in hun ontstaansgeschiedenis.

In het project Eyewire helpen deelnemers de structuur van het menselijk brein te ontrafelen door neuronen te identificeren in een foto van het brein, waarin neuronen een complex spinnenweb vormen met draden die in elkaar verstrengeld zijn. Dit is tijdrovend en complexe, computers kunnen deze neuronen nog niet onderscheiden. Deze uitdaging is verpakt in de vorm van een spel waarbij je punten kunt verdienen door langer te spelen, sneller te zijn of het beter te doen. Zo worden deelnemers gemotiveerd om goed te werken en vol te houden.

De website Tomnod heeft een belangrijke rol gespeeld bij rampen en crises. Burgers konden op de website satellietfo- to’s bestuderen en aangeven of zij wrak- stukken zien op de foto’s of heel andere objecten. Door de foto’s al het ware wille- keurig te verdelen onder de deelnemers kan in korte tijd een groot gebied in kaart gebracht worden. Dit is gebruikt bij het zoeken naar het vermiste vliegtuig van Malaysia Airlines (MH370) en overlevenden na diverse orkanen die over de Cariben raasden.

Continuïteit

Zo zijn er vele voorbeelden te noemen waarbij de rol die burgers spelen varieert van een passieve (een sensor op het huis) tot een meer actieve. Kenmerkend voor alle genoemde voorbeelden is dat er één partij is die het initiatief neemt, zorgt voor de technologische basis (een website, met beelden of een game) en het geheel coördineert. Vaak is dit een ingenieursbureau of een onderzoeksinstituut. Deze kan tegelijkertijd de kwaliteit van de
metingen beoordelen en monitoren. Zo kan ook oncontroleerbaarheid worden voorkomen: dat burgerinitiatieven gaan interfereren met activiteiten van burgers. Zoals bij de ramp op Sint Maarten waarbij burgers via Facebook zelf voedselpakketten begonnen te verzamelen en versturen terwijl de hulpverlenende organisaties geld kregen om dit te organiseren.

Lees ook: Hoe we Sint Maarten digitaal beter kunnen helpen.

De drempel is lager geworden dan ooit. Met de smartphone en mobiel internet heeft elke burger de beschikking gekregen over meerdere sensoren (geluid, camera, beweging en plaatsbe- paling). Die losse metingen kunnen via internet gemakkelijk samengebracht worden. De metingen zijn afzonderlijk vaak minder nauwkeurig dan die van speciale sensoren maar het aantal meetpunten is vaak vele malen groter dan de opstelpunten van het RIVM. En met correcties ontstaat zo toch een veel volldiger beeld van de emissie.

Draagvlak

Lang niet alle projecten hebben het overleefd, een significant deel is ‘ingeslapen’ omdat er amper nog bezoekers kwamen en er geen nieuwe uitdagingen werden gepresenteerd. Het levendig houden van een platform is een taak op zichzelf. De succesvolle projecten zoals Zooniverse vernieuwen zich regelmatig en gebruiken dezelfde technologische basis voor meerdere projecten. Overheden zouden het voortbestaan van deze initiatieven niet aan het toeval moeten overlaten. De projecten zouden een vaste plek moeten krijgen in het overheidsbeleid en de metingen zouden gebruikt moeten worden bij de ontwikkeling van beleid en bij de handhaving, in aanvulling op of combinatie met de metingen door overheidsinstituten als RIVM, RWS en KNMI. Deze instituten zouden een coördinerende en faciliterende rol kunnen krijgen. Zo kan de continuïteit van projecten worden geborgd en de ontwikkeling van nieuwe technologie en de opschaling van de projecten worden ondersteund.

Het levendig houden van een participatieplatform is een taak op zichzelf

Door deze metingen open en participatief te maken en burgers ruimte te geven om met voorstellen aan te komen en discussies te starten over metingen en interpretaties, kan een basis ontstaan voor beleid waarin burgerparticipatie is verankerd en daarmee aan draagvlak is gewerkt voor soms ingrijpende maatregelen die onze samenleving staan te wachten. Deze benadering past ook bij een participatieve overheid die burgers actief en open betrekt in plaats van ze ongevraagd te ‘bespioneren’ en af te tappen via ‘smart cities’.